De term Alaaf is een carnavals-groet afkomstig uit de Keulse Carnavals-traditie.
De oudste schriftelijke vermelding van het woord is te vinden in een petitie van Vorst Metternich aan de Keulse Keurvorst in het jaar 1635. Oorspronkelijk is het een uitroep bij het uitbrengen van een dronk. Sinds het begin van het moderne Carnaval in 1823 wordt “Kölle Alaaf” in Keulen gebruikt als begroeting tussen Carnavalsvierders. In andere Duitse steden luidt de carnavalsgroet: Helau. Ook in België maakt men gebruik van de term. In grote carnavals zoals Aalst, Ninove en Halle, begroeten vierders elkaar steevast met alaaf.
Over de herkomst van het woord Alaaf bestaan twee lezingen. Sommigen zeggen dat Alaaf een verbastering is van het woord elf. Elf is immers het “gekkengetal”, denk aan de “Raad van Elf“. Anderen zeggen dat Alaaf afkomstig is uit het oud-Keulse dialect; “all af”, hetgeen zou betekenen “alles weg”; Dit is gegrond op de oorsprong van de carnaval, namelijk dat voor de vastentijd al het goed spijs en drank op moest; “Kölle Alaaf” (“Keulen Alaaf”) zou verder ook kunnen betekenen “(behalve) Keulen, alles weg” of “Keulen voor alles”. Het gebruik van het woord Alaaf komt voor in veel carnavalstradities, voornamelijk op de linkeroever van de Rijn. Ook in carnavalstradities in Nederland wordt de term gebruikt, met name in plaatsen langs de Duitse grens zoals Kerkrade.
Wanneer Alaaf wordt geroepen, brengt men de rechterhand gestrekt naar de linkerzij van het hoofd en beweegt men de hand voor langs het gezicht terug naar rechts.